God stond naast me en ik keek op hem neer, zoals elke ochtend gaf ik het onooglijke kereltje een aai over zijn kale, knokige schedel en vulde ik zijn emmer met water. In eerste instantie komt onze relatie wellicht wat ongebruikelijk over, misschien zullen sommige mensen het zelfs afkeuren, maar in die dagen was ik het enige wat hij had. Hij mocht wel blij zijn dat ik er voor hem was, anders was hij al lang weggerot van de doorligplekken. Hij met de kleine h dan wel, de hoofdletter zou al lang niet meer passend zijn voor dit gedegenereerde restant van wat eens een zo trots en alom aanbeden opperwezen was.

God keek me klaaglijk en verwijtend aan, ik strekte weer mijn hand, ditmaal voor de onvermijdelijke corrigerende tik. Ik kende die blik in zijn glimmende kraaloogjes inmiddels wel. Niet voor niets was hij degene die de joden koos als zijn favoriete volk. Hij schepte de mens naar zijn eigen evenbeeld, de inmiddels danig dementerende alfa en omega, bij voorbaat al een reden om hem te wantrouwen. Het venijn ontbrak echter, evenals de gespleten tong, zijn listigheid en die giftige blik in zijn ogen waarmee hij millennia lang de mensen deed sidderen van angst. Niks van dit alles nog langer, tijdens het eeuwigdurende doordrammerige geklaag deden nog slechts zijn verwijtende vuurspuwende ogen in de verte herinneren aan zijn vroegere glorie, toen hij nog eenvoudig kracht ontleende aan de zwakheid van de mens. Als hij toen eens had geweten wat hij daarmee ontketende…

In reactie op mijn opgeheven hand week het timide en meelijwekkende schepsel instinctief schichtig achteruit. Hij trok zijn handen voor zijn gezicht en ging op de grond liggen in de foetushouding. Ja, ook ik kreeg daarbij last van een soort plaatsvervangende schaamte, al was ik ondertussen gewend geraakt aan dergelijke uitspattingen van ons ooit zo geliefde, maar thans toch echt volledig uitgerangeerde opperwezen. De dokter had me al verteld dat het niet lang meer kon duren voordat weinig anders zou resteren dan de zuigreflex. Hij begon ook steeds vaker te raaskallen over zijn zoon die hem lang geleden al in de steek gelaten had. Bij de gedachte aan een schepping in zijn evenbeeld liepen de koude rillingen me over de rug, toegegeven, voor de laatste keer had hij dan toch nog een soort van invloed gehad.

Dit simpele gegeven gaf de oude bochelaar net de kracht en het zelfvertrouwen om weer tot zichzelf te komen en een poging te doen op te staan. Hij greep wanhopig naar zijn stok, spartelend op de grond als een spastische kleuter met het downsyndroom. Uiteindelijk kreeg hij de kruk te pakken en hees zichzelf overeind, als je dat tenminste nog zo mocht noemen, net op tijd voor de welverdiende draai om de oren die hem nog altijd te wachten stond. Consequent zijn is immers belangrijk met kinderen en seniele bejaarden, hij weet heel goed dat ik niet gediend ben van die verwijtende blikken. Bovendien kan hij wel tegen een stootje en liever dat gemok dan dat gejank zeg ik maar altijd, en liever pijn dan jeuk, dat ook.

Deze keer haalde ik echter volkomen onverwachts zo hard uit dat ik er zelf ook een beetje van schrok. Ik wilde hem niet te hard aanpakken, want ik wist inmiddels dat hij gebukt ging onder een loden last die hem steeds zwaarder viel. Nog vaak hoorde ik hem hoofdschuddend mompelen over de paradox die hem verslagen had. In zijn almachtigheid had hij door de mens naar zijn eigen evenbeeld te scheppen immers de steen gemaakt die hij niet kon optillen en zo had hij zijn eigen verval bewerkstelligd.

Door de klap schoot hij meteen weer terug in zijn onbeheerste emotie en begon als een dolle met zijn eigen ontlasting in het rond te smijten. Ik wist overigens al langer dat er meer mis was met hem dan alleen het verlies aan decorum dat gepaard gaat met de latere fasen van dementie. Vanaf het moment dat ik hem leerde kennen, had hij zijn obsessie voor feces nooit onder stoelen of banken gestoken. Substantie was voor hem een ware fetisj en hij probeerde me dan ook meerdere keren over te halen mee te doen aan zijn misselijkmakende spelletjes. ´Neemt en eet hiervan, want dit is mijn lichaam.´, ik hoor het hem nog goed zeggen, en bloedserieus ook, dat was nog het ergste.

Met zijn handen en gezicht vol ontlasting viel hij me aan met alle kracht die hij nog had in zijn knokige lijf. Na een korte worsteling wist ik hem van me af te schudden, maar ik kon er niet aan ontkomen besmeurd te worden met ´Zijn´ diarree. U zult begrijpen dat voor mij nu de maat toch ook onderhand wel vol was. Het engelengeduld dat ik met hem had was schier, maar natuurlijk niet volkomen eindeloos. Meneer de schepper mocht dan ook gewoon in zijn vieze handjes klappen met een vriend als ik, die jarenlang dagelijks tot zijn kniën in de stront stond voor die arrogante kwezel met zijn grootheidswaanzin. Maar om dan, na hem al die jaren verzorgd, verschoond en gevoerd te hebben, stank voor dank te krijgen? Dat ging zelfs mij te ver.

Het was die dag dat ik besloot te doen wat ik al veel eerder had moeten doen, maar niet durfde als de lafbek die ik ben. Ondanks zijn talrijke schandelijke daden en fouten, besloot ik uit pure goedhartigheid verder gezichtsverlies voor het afgeschreven opperwezen te voorkomen en hem voorgoed uit zijn lijden te verlossen. God is dood en ze zullen het wel moord noemen, ik geloof nog steeds dat ik de juiste beslissing heb gemaakt en ik heb nergens spijt van. Hij ontleende zijn kracht aan de aanbidding van zijn schepping, in zijn arrogantie maakte hij de mens naar zijn evenbeeld en luidde zo zijn eigen neergang in. Eigen schuld, dikke bult, zeg ik altijd, en boontje komt om zijn loontje, dat ook.