Karel zit achter zijn bureau, en staart even naar buiten, waar uitzinnig blije mensen rondhuppelen door de pas gevallen sneeuw. Een karretje met warme glühwein, chocolademelk en Unox rookworsten doet er goede zaken. Gretig zetten enkele mensen hun tanden in de warme sappige worst, terwijl ze in de andere hand de glühwein balanceren. Hier en daar wordt een sneeuwbal gegooid en sneeuwpoppen met rare neuzen sieren het straatbeeld. Kinderen met rode neusjes van de kou en grappige mutsjes op, glijden over de bevroren stoep. Door de straatboxen klinkt George Micheal (hij is niet deaud) met “Last Christmas”.

‘Stelletje sukkels !!’, zegt Karel. Ze zien het eenvoudigweg niet. De wereld gaat naar de klote. Ons complete monetaire stelsel staat net zo stabiel als een kaartenhuis in een storm. Dadelijk staan we met zijn allen in de rij voor de voedselbank. Die nietswetenden daarbuiten kopen zich een breuk in de liezen. Om hun gefinancierde auto mee vol te laden en naar hun veel te dure huis te gaan, met tophypotheek waar ze NOOIT meer vanaf komen. Al bellende met hun veel te dure mobieltjes, met een te duur abonnement, met de vraag aan het thuisfront “of ze vanavond even ergens een hapje gaan eten”, in een te hip restaurantje waar de prijzen groter zijn dan het portie op je bord. Niet voordat ze de kinderen opgehaald hebben bij de buitenschoolse opvang, die moeder maar net kan betalen met haar parttime baantje.

Ze zien het niet, ze zien het niet!!! Ze lopen als lemmingen achter de centen aan, zo het ravijn in. Maar oh wee als ze dadelijk aan hun duurzaam geleende centjes komen, zijn zij het die hun tentjes ergens op een godvergeten marktplaats in een of andere stad zetten. Schreeuwen als kippen zonder kop om gelijke en eerlijkere verdeling van het geld. En in de nacht met al hun principes verpakt in hun aktekoffertje weer terug naar huis, om toch enigszins fatsoenlijk te kunnen slapen en zich te wassen. Met het kerstdiner zitten die zelfde principiële kameraden aan het kerstdiner, te turen naar een kalkoen zo groot dat ze er niet eens overheen kunnen kijken. Een tafel zo vol dat er een tweede tafeltje bij moet voor de rest….. Klop op zo’n avond als zwerver maar eens aan bij die lui, dan ben ik HEEL benieuwd of er een extra bordje en stoel bijgeschoven wordt.  Ik acht die kans zeer klein.

Jaren heb ik hier deze ellende al voorspeld, maar iedereen lachte me uit. “Wacht maar, het uur U nadert, met rasse schreden. Altijd ben ik voorzichtig geweest met mijn geld, goed gespaard, de juiste beleggingen, geen foute hypotheken. Mijn appeltje voor de dorst is binnen”. Karel zucht nog een keer diep en duikt weer in zijn papieren, zijn bedrijfje moet immers draaien. De uren snellen voorbij en al snel valt de nacht. Maar Karel heeft hier geen notie van en werkt door, en door, en door.

Plots, zo net voor 01:00 uur, hoort hij het kraken van de eikenhouten vloer. Wat eigenlijk onmogelijk is, laminaat eiken kraakt immers niet. Maar leuk voor het plaatje. Een ijzige kou waait langs zijn rug en even lijkt het of hij stemmen hoort van binnen dat kleine kantoortje. Hij durft niet om te kijken. Karel voelt een vreemd soort aanwezigheid van iets of iemand. Zijn hart klopt in zijn keel en langzaam draait hij zijn bureaustoel om.

Tot zijn grote schrik staan daar drie behoorlijk wazige types. Omhuld door een vieze nevel en als door de duivel hemzelf gestuurd. Karel zijn onderkaak valt van verbijstering bijna op de grond, het angstzweet breekt hem uit.
Allerlei ongedierte kruipt het drietal uit de met modder besmeurde laarze, en Karel kan hun stinkende adem van een afstand goed ruiken. De linkse is klein van stuk, met een opzichtig bolhoedje op zijn dikke ronde hoofd, met tandeloze mond. Die in het midden is lang en broodmager, heeft een verscheurde leren jas aan en lang plakkerig haar op een staartje. De rechtse heeft een redelijk normaal postuur, maar met een overweldigend groot hoofd en een rond brilletje op zijn neus, waardoor hij er als de meest intelligente van het drietal uitziet. Deze laatste neemt dan ook het woord.

“Karel”, zegt een schorre, ijzige stem. “Wij zijn de geesten van kerstmis verleden, heden en toekomst. Wij willen je laten zien wat jou miezerige leventje heeft overoorzaakt en gaat veroorzaken. Jouw eeuwige getover met centen, met als enige doel, winst, winst en nog eens winst, heeft onnavolgbare effecten gehad op jou en je omgeving. Nu denk je natuurlijk Karel, waar ken ik dit verhaaltje van? En dat klopt, dat van Dickens, met Scrooge. Maar gezien het huidige verkeer en personeelskosten zijn ook wij genoodzaakt met deze gejaagde maatschappij mee te doen. Dus efficiency is geboden. We komen alle drie tegelijk, scheelt reiskosten…Win win, toch?  Moet ik ook nog even zeggen dat de andere twee geesten slecht Nederlands spreken. Die hebben we in moeten laten vliegen van uit Polen, en Griekenland. Personeelskosten hè, maar daar weet jij natuurlijk alles van.”

Karel zit als genageld in zijn stoel en kan nauwelijks geloven wat ie hoort en ziet. De geest met het grote hoofd kijkt hem indringend aan, terwijl de andere twee elkaar schouderophalend gebaren dat ze er geen reet van verstaan hebben.” Czy masz?”, zegt de lange smalle. “Εγώ δεν το κάνετε!”, antwoordt het Michelingeestje. Blijkbaar verstaan ze elkaar wel. Maar Karel is ook boos en verontwaardigd. Eigenlijk begint ie een beetje-gruwelijk nijdig te worden. Op een dusdanige manier dat het stoom bijna zijn oren uit komt. Met rooddoorlopen ogen van woede begint Karel op het illustere trio in te hakken.

“Luister eens even hier stelletje prutsers, dat sprookje van Dickens daar heb ik nooit geen ene fluit aan gevonden. Dat geestentrio was al een aanfluiting voor het hiernamaals. Maar als ik jullie zo bekijk, heeft Dickens vanaf zijn wolkje de meest incapabele, uitgeprocedeerde, halfslachtige geesten hierheen gestuurd, om DIT mij te komen vertellen. Als jullie je huiswerk goed hadden gedaan, kon je zien dat ik alleen maar geprobeerd heb om mensen te hoeden voor een financieel debacle.  Met heel mijn hart en ziel heb ik mensen het juiste pad op proberen te sturen. Maar het overgrote deel is blind geweest voor mijn waarschuwingen. Als ratten lopen ze elkaar na het riool in.Voordat jullie mij meenemen naar mijn verleden, heden en toekomst, neem ik jullie eventjes mee. Kijk, allemaal vrolijke mensen, die huizen gaan kopen, met beleggingshypotheken en de hun beloofde gouden bergen. “U kunt makkelijk deze hypotheek nemen, hij rendeert gegarandeerd”. En daar, een man die polissen verkoopt, deur aan deur om tere zieltjes iets aan te smeren waar ze geen flauw benul hebben van wat ze te wachten staat. En zie die beurshandelaar daar, die met dat Gucci pak aan. Die heeft net voor miljoenen in het niets laten verdwijnen. En lacht nog steeds. Allemaal mensen die ik proberen heb tegen te houden. Vandaag de dag loopt dat zelfde gepeupel met de ziel onder hun armen. Te schreeuwen vanwege het hun aangedane onrecht. De aandelen zakken harder dan die flat in Heerlen. Het Gucci pak heeft plaats gemaakt voor een outfit uit de zak van Max. En de polisverkoper is er samen met Dirk S. aan onderdoor gegaan en zit nu zwaar aan de Prozac. Mensen verkopen hun huizen, die ze niet meer betalen kunnen. En morgen of overmorgen staan jij en ik in diezelfde rij voor de voedselbank. Grote kans dat de persoon voor jou die beurshandelaar was. De Euro is niet meer en we moeten dadelijk ons brood met bonnen betalen.”

ZE HEBBEN HET NIET WILLEN ZIEN !

“Zo… En nu jullie!”

Het geestentrio staat als met stomheid geslagen naar Karel te kijken en weet zich met dit weerwoord geen raad. Zeker de twee geestmigranten, die al helemaal niets verstaan hebben van het pleidooi van Karel. Even is het stil. De geest met het grote hoofd zet zijn brilletje recht en gebaart de andere twee hem te volgen. Beschaamd verlaten ze zijn kantoortje, de dikbolgeest draait zich nog even om en zegt: “Wir haben es nicht gewust…!”, om te verdwijnen in het niets. Karel zucht, draait zich om, sluit zijn computer af en gaat naar huis. En mompelt zo iets van:

“Prutser die Dickens”.